Bij Johannes 8
Ik ben zo bang met al die mannen om mij heen.
Iemand had ons ontdekt en ik werd meegenomen.
We hadden het zover nooit moeten laten komen.
Ik ken de harde wet. Straks komt de eerste steen.
Men heeft mij zo-even naar iemand toegebracht.
Het is een rabbi, die hun kennelijk moet vertellen
welk oordeel zij nu over mij zullen gaan vellen.
Wellicht nu toch nog aan een andere straf gedacht?
Wat vreemd. De man zwijgt stil en schrijft wat in het zand.
Zou hij soms op hun vraag geen antwoord kunnen geven?
Hij weet toch wel wat in de wet staat opgeschreven?
Maar dan richt hij zich op. Wijst naar hen met zijn hand.
“Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.”
Ik houd mijn adem in. Wie voelt zich aangesproken?
Dit was mijn leven dan. Voortijdig afgebroken.
Dan gaan de mannen weg. Daar gaan ze, één voor één.
Ik weet niet wat ik voel. De rabbi kijkt mij aan.
“Je bent gered, mijn kind. Jouw straf is uitgebleven.
Je hebt de dood verdiend; toch gun ik jou het leven.
Maar zondig nu niet meer.” Ik mag weer vrijuit gaan.