Het was ontzettend druk geweest hier in de stad.
Om aan het keizerlijk bevel gehoor te geven
hadden zich veel vreemde mensen ingeschreven.
Mijn herberg zat stampvol en ik was het goed zat.
Toen werd er ’s avonds laat hard op de deur gebonkt.
Ik had het gauw gezien: twee provincialen.
Armoedig stel. Die konden vast niet veel betalen.
“Ik heb echt geen plaats meer hier. Zoek maar verder rond.“
Zij keek mij aan. Ik zag dat zij hoogzwanger was.
Vooruit dan maar. Ik heb hen naar de stal verwezen.
Het rook bepaald niet fris daar tussen os en ezel,
maar goed, ze hadden voor de nacht wel onderdak.
En juist die nacht is zij bevallen van een zoon.
Geboren in een stal. Ik vond dat best bijzonder.
Maar nog diezelfde nacht, dat was pas echt een wonder,
kwamen herders hier en die vielen doodgewoon
op hun knieën neer voor dat pasgeboren kind.
En later kwamen er rijke, geleerde mensen.
Die gaven zomaar vele kostbare geschenken,
want ze wisten zeker: dit was een koningskind.
Ik ben een nuchter man; toch raak ik het niet kwijt.
Wat er toen is gebeurd, wil niet uit mijn gedachten.
Dat kind, zou hij soms zijn op wie wij al lang wachten?
Dat de Messias komt, wordt dat realiteit?