(Bij Genesis 4)
God wees mijn offer af, maar dat pikte ik niet.
Toen heb ik Abel in mijn woede doodgeslagen.
Daarna ging God mij ook nog over hem bevragen.
Maar wat ging mij dat aan? Ik was zijn oppas niet.
Ik werd door God vervloekt. Toen moest ik daar vandaan.
Geruime tijd heb ik als balling rondgezworven.
Uiteindelijk heb ik een vaste plek verworven.
Ergens in het oosten vond ik een nieuw bestaan.
Ik werd van huis verjaagd, maar ben op eigen kracht,
hoewel vervloekt, er toch weer bovenop gekomen:
een sterke eigen stad waar ik veilig kan wonen,
een huis, een vrouw, een zoon, een eigen nageslacht.
’t Gaat prima zonder God, veel beter dan verwacht.
En na mijn dood zal ik niet snel worden vergeten.
Vele geslachten lang zal men nog van mij weten.
———–
God hoog in de hemel, Hij hoort hem aan en lacht.