Dat ik mijn vijand lief moet hebben

(Melodie: Psalm 119/LvdK 487)

Dat ik mijn vijand lief moet hebben, Heer,
over zijn sluwe streken niet moet klagen,
het goede voor hem zoeken, altijd weer,
in mijn gebed hem aan U op moet dragen,
is dat wat U uw volgelingen leert?
Wilt U dat echt van ons, uw mensen, vragen?

Dat ik wat kwaad is niet vergeld met kwaad,
en zelf niet terugsla als ik word geslagen,
dat ik wie mij belastert, praten laat,
kwaadwilligheid gewoon maar moet verdragen,
ik vriendelijk ben en goed voor wie mij haat
en, wat wordt afgepakt, niet terug moet vragen?

Ik weet niet, Heer, of dit wel haalbaar is.
Ik wil het wel, maar ken mijn onvermogen.
Te vaak nog ga ik in de duisternis.
Te vaak sluit ik voor wat U wilt, mijn ogen.
Ik hoop daarom op uw vergiffenis.
Kijk toch naar mij met enig mededogen.

Ik bid U, Heer, voor wie mij tegen staat;
dat hij toch ook mag delen in uw zegen.
Ik bid U, Heer, voor wie mij lijden laat;
dat hij geluk mag vinden op zijn wegen.
Dat ik niet hangen blijf in wrok en haat.
Wijs mij de weg. En houd de boze tegen.

Laat een reactie achter