Hij kreeg genoeg van ons gewone leven
en wilde graag op eigen benen staan.
Hij vroeg mij hem zijn erfdeel mee te geven,
als was ik dood. Toen is hij weggegaan.
Zolang het kon, heb ik hem nagekeken.
Hij keek nog even om en zwaaide wat.
Dat was het dan. Hij zou voortaan ontbreken
in het gezin dat ik gekregen had.
Mijn jongste ging voortaan zijn eigen wegen,
ver weg van thuis, alleen in een vreemd land.
En al dat geld, was dat wel echt een zegen?
Was hij tegen verleidingen bestand?
De tijd verstreek. Hij bleef in mijn gedachten.
Vaak heb ik turend langs de weg gestaan.
Soms had ik slapeloze nachten.
Hoe zou het hem, mijn kind, toch zijn vergaan?
Vanmorgen vroeg stond ik weer uit te kijken.
Toen kwam er in de verte iemand aan.
Was dat mijn zoon? Ik vond hem op hem lijken
en ben hem hollend tegemoet gegaan.
Hij was het echt, mijn lieve jongste jongen.
Kom hier, mijn kind, weet dat ik van je houd.
Wat er ook is gebeurd, jij blijft mijn jongen.
Maar ach, je bent zo haveloos en koud.
Kom hier, mijn kind, dan zal ik je verwarmen.
Je was als dood, maar dat is nu geweest.
Kom hier, mijn kind, rust maar in mijn armen.
Kom mee naar huis. Kom mee, want het is feest.