(bij Habakuk 1 – 3)
Ik roep U aan, maar het blijft angstig stil.
Ik schreeuw het uit, maar U laat zich niet horen.
Dringt het wel door wat ik U zeggen wil?
Of slaapt U soms? Mag niemand U nog storen?
Ik hoor alom gekrijs en luid gegil.
Waar bent U toch? Help ons zoals tevoren.
De wereld is vol machtswellust en strijd.
Nog even en uw schepping gaat te gronde.
U hoort toch wel hoe alles kreunt en lijdt?
Bent U zo woedend over onze zonden?
Hebt U nog ruimte voor barmhartigheid?
Kan redding nog bij U worden gevonden?
Ik roep U aan, ga op de uitkijk staan.
Wanneer komt U mij eindelijk antwoord geven?
Daar bent U dan. Ik hoor U hoopvol aan.
U zegt: “Let op en lees wat staat geschreven:
Wie onrecht doet, die zal zeker vergaan.
Maar wie in Mij gelooft, zal blijven leven.”
Vergeef mij toch mijn ongeloof, o Heer.
Ik was U kwijt en maakte U verwijten.
Vergat dat U van oudsher wijs regeert,
uw tegenstanders in het stof laat bijten.
Geef mij geduld en dat ik accepteer
dat ik uw wegen niet hoef te begrijpen.
Uw trouw en goedheid, Heer, maken mij blij.
Daarom zal ik met heel mijn hart U loven.
Al loopt geen schaap, geen koe meer in de wei,
al zal men mij van wat ik heb, beroven,
al moet ik leven onder slavernij,
toch wil ik steeds in U blijven geloven.
Maar als dat op een dag misschien niet gaat
en angst en twijfel mij toch weer bespringen,
als mijn vertrouwen haast op breken staat,
ik zelf geen vrolijk loflied meer kan zingen,
houd mij dan staande, lieve Heer, en laat
andere stemmen zingend mij omringen.
(Mel.: LvdK 487)