(Melodie: psalm 118)
Komt, laten wij de Heer toezingen,
zijn luister en zijn majesteit,
begin en eind van alle dingen,
de God van de oneindigheid.
Hij schiep de hemel en de aarde,
de oceaan, het groot heelal.
Niemand die hem evenaarde,
die was en is en wezen zal.
Komt, laten wij de Heer toezingen,
ziet hoe alom zijn liefde spreekt,
hoe Hij met wijze ordeningen
de plannen van de boze breekt,
hoe Hij ons, kleine stervelingen,
in onze kwetsbaarheid behoedt
en in de alledaagse dingen
met zijn genade ons ontmoet.
Komt, laten wij de Heer toezingen,
Hem loven om zijn grote kracht,
Hem danken voor zijn zegeningen,
Hem prijzen om zijn wondermacht.
Hij is de bron van alle leven,
de Alfa en de Omega.
Hem zij voor eeuwig eer gegeven,
aan deze Heer zij gloria.