Laat ons de Koning vieren
die in de hemel woont,
Hem vol ontzag vereren
die hoog boven ons troont,
maar die als onze Vader
ons allen, groot en klein,
hier in dit huis vergadert,
hier bij Hem thuis laat zijn.
Laat ons de Heer toejuichen,
prijzen zijn majesteit,
uit volle borst getuigen
van zijn menslievendheid.
Laat zingen de gitaren,
laat schallen de trompet,
laat klinken alle snaren
tot lof van God die redt.
Laat ons aandachtig luisteren
naar wat Hij horen laat:
een lichtbron in het duister,
een woord dat met ons gaat,
een richtsnoer voor het leven,
een troostwoord bij gebrek,
een gave om te delen,
een zaad dat leven wekt.
Laat ons de handen vouwen
en kloppen op de poort
in kinderlijk vertrouwen
dat Hij ons bidden hoort,
dat Hij ons wil vergeven,
wil delen onze pijn,
dat Hij ons in ons leven
een beeld van Hem laat zijn.
Komt, laat ons vrolijk vieren
dat Vader, Zoon en Geest
met ons willen verkeren.
Nu wordt het waarlijk feest.
Dit huis is vol genade,
spreekt van Gods heerlijkheid.
De hemel raakt de aarde.
De toekomst is een feit.
(Mel.: LB 910)