Wachten op God

“Vaar maar alvast naar de overzij.
Ik kom later naar jullie toe.”
Hij gaf niet aan hoe laat en hoe.
Het weer was goed. Dus gingen zij.

De stormwind raast, de golven slaan.
De nacht is zwart, geen sterrenlicht.
De angst staat op ieders gezicht.
Zal nu de boot met hen vergaan?

De nacht duurt lang. Het wordt al licht.
En al die tijd is Hij er niet.
Dan zien zij in de verte iets:
de Heer verschijnt plots in hun zicht.

Hij komt aan boord. Het meer wordt stil.
Zij zijn gered uit nood en dood.
Hij is Gods Zoon. Zijn macht is groot.
Water en wind doen wat Hij wil.

Tenslotte kwam dus alles goed.
Maar Heer, waarom zo lang gewacht?
Bleef U soms weg die hele nacht
opdat men U vertrouwen moest?

U gaat, Heer, soeverein uw weg,
een weg die soms verborgen is,
ons brengt waar het pikdonker is
en waar wij weten heg noch steg.

Leer ons op U te wachten, God,
U te vertrouwen waar U gaat,
omdat U immers nooit verlaat
wie aan uw zorg zijn toevertrouwd.

Laat een reactie achter