U, die woont in een ontoegankelijk licht

U, die woont in een ontoegankelijk licht,
een licht, te fel voor onze aardse ogen,
troont in de hemel buiten ons gezicht,
te ver voor ons kleinmenselijk vermogen,
toch toont U ons uw lieflijk aangezicht,
betoont U ons uw vriendelijk mededogen.

U, die van oudsher staat buiten de tijd,
onmeetbaar bent en zelf de maat der dingen,
bestaat van eeuwigheid tot eeuwigheid,
tot stand gebracht hebt alle ordeningen,
toch nam U aan onze gebrokenheid
en werd gelijk aan arme stervelingen.

U, die op ongekende wegen gaat,
niet te doorgronden met onze gedachten,
wiens doen en laten zich niet raden laat,
zo raadselachtig voor wie op U wachten,
toch weet ik dat U ons terzijde staat,
aanwezig bent zelfs in de zwartste nachten.

Hoe groot en ontzagwekkend bent U, Heer.
Wij kunnen alleen stamelend U loven.
Ootmoedig buigen wij ons voor U neer.
Wij bidden U: houd ons toch steeds voor ogen.
Wij zitten vaak nog zo vol vragen, Heer.
Geef ons de moed om te blijven geloven.
(Mel.: LvdK 487)

Laat een reactie achter