(Bij Exodus 32)
“Aäron, maak voor ons een beeld,
zodat we zien dat God hier is
en Hij ons aardse leven deelt.
Een beeld naar Gods gelijkenis
dat voortaan voor ons uit zal gaan,
nu Mozes niet meer bij ons is.
Dan kunnen wij de vijand aan
in deze woeste wildernis.
Een stierkalf als symbool van kracht
en niet een zwak en weerloos lam,
een zinnebeeld van onze macht,
van ons, het zaad van Abraham.”
Zo schiep men zich een god van goud,
die ondanks alle schittering
niet meer was dan een dood stuk hout,
een kwetsbaar en vergankelijk ding.
De God die hen met sterke hand
bevrijd had uit de slavernij,
die schoven zij ruw aan de kant
voor iets van eigen makelij.
Zij zouden door God zijn verteerd,
had Mozes niet voor hen gepleit.
Zijn voorspraak heeft Gods toorn gekeerd.
Hij dacht aan zijn barmhartigheid.